Als u komt te overlijden, hebben uw kinderen recht op wezenpensioen, maar alleen als ze jonger zijn dan 18 jaar. Studeren ze of zijn ze arbeidsongeschikt, dan geldt een bovengrens van 27 jaar.
SPT controleert jaarlijks aan de hand van een studieverklaring of een afschrift van een bewijs van arbeidsongeschiktheid of het kind recht heeft op wezenpensioen. Het wezenpensioen bedraagt 12% van het ouderdomspensioen per kind, en wordt verdubbeld zodra het kind een volle wees wordt, met andere woorden, als er ook geen partner (meer) is. Had u geen partner, dan gaat de verdubbeling direct in. Het wezenpensioen wordt uitgekeerd totdat het kind 18 jaar is geworden of eerder overlijdt. In geval van een studerend kind eindigt de uitkering als het 27 jaar wordt, dan wel zodra het na zijn 18e ophoudt met studeren of overlijdt. En in geval van een arbeidsongeschikt kind eindigt de uitkering als het 27 jaar wordt, dan wel zodra het niet meer arbeidsongeschikt is of overlijdt.
Mocht u na uw pensionering een kind hebben gekregen, dan heeft dit kind na uw overlijden géén recht op wezenpensioen.
Terug